Evaluatie Jeugdzorg: veel ouders vinden nog steeds met moeite de juiste hulp.

12 februari 2018

De invoering van de Jeugdwet in 2015 had hulp voor jongeren in nood eenvoudiger moeten maken, maar dat is drie jaar later nog niet gelukt. Het kost een op de drie ouders veel moeite om de juiste hulp te vinden, blijkt uit een evaluatie van de wet.

Minister Hugo de Jonge (VWS)  heeft 30 januari het evaluatierapport van de Jeugdwet in ontvangst genomen. Daaruit blijkt dat veel gemeenten nog moeite hebben om hun nieuwe taken goed te regelen.

Het kost bijna één op de drie ouders veel moeite om jeugdhulp te regelen bij de gemeente. Dat geldt vooral voor kwetsbare gezinnen. Over de feitelijke hulp zijn cliënten over het algemeen tevreden.

Verder blijkt dat gemeenten onvoldoende toekomen aan het leggen van verbinding tussen de jeugdhulp en andere domeinen.  Die verbinding was echter een van de belangrijkste overwegingen achter de decentralisatie en deze Jeugdwet. Gemeenten moeten nu daarom echt iets gaan doen aan de verbinding met schuldhulpverlening, het onderwijs, De Wmo en huisvesting.

Nu iedere gemeente het op zijn eigen manier mag doen, blijken er ook grote onderlinge verschillen te ontstaan in kwaliteit. Ook levert het heel veel administratieve rompslomp op. Alle driehonderdtachtig gemeenten hebben op heel veel verschillende manieren jeugdhulp ingekocht. Allemaal op hun eigen manier, met heel veel verschillende contracten. Dat maakt het allemaal nodeloos ingewikkeld en de administratieve lasten blijven er hoog door.

De evaluatie is uitgevoerd in opdracht van de ministeries van VWS en VenJ.

Hier vindt u de complete  Evaluatie Jeugdwet. De stem van de professional. Aanbevelingen uit de dagelijkse praktijk

Over de Jeugdwet

De verantwoordelijkheid van de gemeenten bestaat volgens de Jeugdwet onder meer uit:

  1. het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen en kinderopvang;
  2. het voorzien in een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod van jeugdhulp;
  3. het adviseren over en het bepalen en inzetten van de aangewezen vorm van jeugdhulp;
  4. het adviseren van professionals met zorgen over een kind;
  5. het adviseren van kinderen en jongeren met vragen en problemen;
  6. het doen van een verzoek tot onderzoek bij de Raad voor de Kinderbescherming als een kinderbeschermingsmaatregel nodig is;
  7. het compenseren van beperkingen in de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie van kinderen en jongeren;
  8. het voorzien in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen;
  9. het voorzien in maatregelen om kindermishandeling te voorkomen.